Detransitioners: weinig steun na terugkeer

Detransitie, het stoppen of terugdraaien van een transitie, komt voor. Enquêtes onder detransitioners melden een groot gebrek aan steun en negatieve ervaringen met de zorg en met de lhbt+-gemeenschap (bron).


Het kader

Deze site bekijkt het thema met de criteria shunning, bestaansvergunning, doctrine boven persoon en angst voor uittreding. Dat is een interpretatie van deze site; hieronder staat wat de bronnen laten zien.

De observaties

In een online enquête onder 237 detransitioners, geworven via online gemeenschappen van detransitioners, meldden de deelnemers volgens Vandenbussche een groot gebrek aan ondersteuning en veel negatieve ervaringen met de medische zorg, de geestelijke gezondheidszorg en de lhbt+-gemeenschap (bron). In de enquête van Littman (2021) onder 100 detransitioners, geworven via sociale media, mailinglijsten en sneeuwbalsteekproef, vond 55 procent dat zij vóór de transitie geen adequate beoordeling door een arts of ggz-professional hadden gekregen en had 24 procent de eigen clinici over de detransitie geïnformeerd; de auteur stelt dat meer onderzoek nodig is om te weten hoe vaak detransitie voorkomt (bron). Beide steekproeven zijn zelf-geselecteerd en niet representatief.

Keira Bell, een detransitioner, begon op 16-jarige leeftijd met puberteitsremmers, kreeg op 17-jarige leeftijd testosteron en onderging op 20-jarige leeftijd een dubbele mastectomie; in 2019 stopte ze met testosteron. De Cass Review schrijft dat onbekend is hoeveel jongeren na hormoonbehandeling detransitioneren, omdat langetermijnonderzoek ontbreekt (bron). Sommige jongvolwassenen vertelden de Cass Review bovendien dat zij niet willen dat hun ervaring wordt gebruikt om die van anderen ongeldig te verklaren.

De WPATH-positie

SOC8 erkent detransitie en beveelt aan dat volwassenen die willen detransitioneren een uitgebreide multidisciplinaire beoordeling krijgen (statement 5.7). SOC8 schrijft: "It is vital that people who detransition, for any reason, be supported." Tegelijk noemt SOC8 detransitie "proportionally rare", stelt dat schattingen van detransitie door identiteitsverandering waarschijnlijk worden overschat doordat onderzoek verschillende cohorten vermengt, en dat het percentage mensen dat fysieke veranderingen wil terugdraaien "static and low" zou moeten blijven (bron).

De analyse

Het verschil tussen de richtlijn en wat detransitioners in enquêtes beschrijven, namelijk gebrek aan steun en negatieve ervaringen, is de kern van deze casus. Of dat tekort neerkomt op uitsluiting binnen een beweging, zoals de criteria van deze site suggereren, is een interpretatie; de enquêtes laten alleen zien wat deelnemers zelf rapporteren.

Caveats

  • Niet alle detransitioners zijn iatrogeen geschaad. Het patroon is heterogeen: in de enquête van Littman noemde 60 procent als reden dat zij zich comfortabeler voelden met hun geboortegeslacht en 23 procent discriminatie (bron).
  • Sommige detransitioners zijn zelf actief in conservatieve politiek; dat maakt hun testimonia niet ongeldig maar wel politiek opgeladen.
  • Detransitiecijfers zijn moeilijk te meten; mensen verlaten clinici vaak zonder follow-up. De claim "extreem zeldzaam" en de claim "wijdverbreid" zijn beide moeilijk hard te maken.

Bronnen

  • Littman, L. (2021). Individuals treated for gender dysphoria with medical and/or surgical transition who subsequently detransitioned. Archives of Sexual Behavior, 50. bron
  • Vandenbussche, E. (2021). Detransition-related needs and support: a cross-sectional online survey. Journal of Homosexuality. bron
  • Coleman, E. e.a. (2022). Standards of Care for the Health of Transgender and Gender Diverse People, Version 8. bron
  • Cass, H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people, final report. bron

Verwante pagina's